De bevalling

Weeën

Voorweeën

Voorweeën kenmerken zich doordat je baarmoeder samentrekt en je weeënachtige pijn krijgt. Soms komt dit om de 10 minuten en kan een periode aanhouden, maar ook weer afzakken.

De voorweeën kan je voelen in bovenbenen, onderrug en je buik. Kenmerkend voor deze weeën zijn dat ze vrij regelmatig kunnen komen maar niet opbouwen in pijnlijkheid of in frequentie. Het zorgt ervoor dat je baarmoedermond rustig gaat verweken en verkorten, wat een positieve start voor je bevalling is. Het is lastig te voorspellen wanneer je bevalling zal gaan doorzetten. Vaak zie je door goede ontspanning en afleiding dat het proces vanzelf doorzet en je regelmatig weeën gaat krijgen die wel toenemen in pijn en frequentie. Dan is je bevalling daadwerkelijk begonnen.

Weeën

Het samentrekken van de baarmoederspier wordt een wee genoemd. Het is een langzaam opkomende kramp in je onderbuik die toeneemt en na het hoogtepunt weer afzakt. Zoals golven die aanspoelen op het strand eerst groter worden en na het omslaan, afzwakken zo heb je na een wee weer even rust in je buik tot de volgende zich aandient. Als de bevalling vordert, worden de weeën sterker en pijnlijker. Ook komen de weeën steeds vaker en korter op elkaar.

Buik en rugweeën

De pijn van de weeën wordt door elke vrouw anders ervaren. Dit varieert van ‘goed te doen’ tot ‘onhoudbaar’. Weeën kun je in je buik voelen, wat de meeste vrouwen zo ervaren, maar kan ook vooral voorkomen in je rug en benen. Ook kan de plaats waar je de pijn ervaart zich afwisselen.

Ontsluitingsweeën

In tegenstelling tot voorweeën, zorgen ontsluitingsweeën ervoor dat je baarmoedermond zich ver genoeg opent om de geboorte van de baby mogelijk te maken. Dat wordt ‘ontsluiting’ genoemd. Een volledige ontsluiting is 10 centimeter. Voor de ontsluiting zijn sterke weeën nodig. Ontsluitingsweeën duren ongeveer 1 tot 1,5 minuut en komen meestal om de 3 tot 5 minuten.

Naarmate de ontsluiting vordert, worden de weeën krachtiger en pijnlijker. Ze zijn het meest pijnlijk tijdens de laatste centimeters van de ontsluiting. Dit zijn de ‘laatste loodjes’, maar dit stuk wordt vaak wel als erg pittig ervaren. Om te zien hoe ver je ontsluiting is gevorderd, controleert je verloskundige door een inwendig onderzoek hoeveel centimeter ontsluiting je hebt.

Vliezen breken

Je baby wordt beschermd door de vliezen en het vruchtwater. De druk van het vruchtwater stimuleert de baarmoedermond om zich te openen. In de meeste gevallen breken je vliezen pas wanneer je al een tijd weeën hebt. Soms breken ze niet spontaan. In dat geval worden ze aan het einde van de ontsluiting door je verloskundige gebroken.

Soms komt het voor dat de weeën activiteit in de loop van de bevalling wat afzakt. Hierdoor zet je ontsluiting onvoldoende door. In dat geval breekt je verloskundige de vliezen soms eerder. Dat is pijnloos. Na het breken van de vliezen, maakt je lichaam steeds opnieuw vruchtwater aan wat voorkomt dat je baby ‘droog’ wordt. Als de vliezen gebroken zijn staat je baby in verbinding met de buitenwereld. Wanneer je op dat moment nog geen sterke weeën hebt, mag je niet in bad, vanwege infectiegevaar. Na het breken van de vliezen zonder heftige weeën moet je dan ook je temperatuur regelmatig meten om een eventuele infectie snel te ontdekken.

Persweeën

Als je 10 centimeter ontsluiting hebt, is de baarmoedermond voldoende geopend om het hoofdje van de baby door te laten. Op dat moment gaan de ontsluitingsweeën over in persweeën. Dit wordt de uitdrijvende fase genoemd. Voor je mag persen, doet je verloskundige inwendig onderzoek om te kijken of je volledige ontsluiting hebt. Omdat je baarmoedermond zover geopend is, is het hoofdje van de baby naar beneden gezakt. Als de wee het hoogste punt bereikt, voel je dan een drang om te drukken. Deze drang kun je niet tegenhouden. Dit is een beginnende persdrang. Persweeën zijn heel sterk en komen meestal om de 5 minuten.

Je verloskundige zal aangeven wanneer je actief mag mee persen. Pers dan, alsof je moet poepen, met al je kracht mee richting je vagina en anus. In het begin voel je niet altijd waar je naartoe perst. Maar hoe dieper het hoofdje komt, hoe duidelijker het wordt hoe je een perswee kunt gebruiken om mee te persen.

Tijdens de uitdrijvende fase luisteren we na elke wee naar de harttonen van de baby om de conditie van de baby te controleren.

Het afwisselen van houdingen is erg belangrijk om je persweeën effectief te gebruiken. Waar we gebruik van maken is onder andere zijligging, rugligging, de baarkruk of staand bevallen. Je kunt hier meer over lezen onder het kopje ‘Bevalhoudingen’.

Gemiddeld pers je 1 uur tot 1,5 uur bij je eerste baby. Uitdrijvingen bij een tweede of volgende baby zijn doorgaans korter, omdat de spieren van je vagina gemakkelijker oprekken.